h1

Lentecursiefje…

4 januari, 2006

De zon staat haar best te doen en op het gazon vóór mijn bureelraam zit een konijn te dromen van de komende lente … Ik denk opeens aan één van mijn natuurcursiefjes die ik een paar jaar geleden schreef. Hier is het:

Ik gooi de deur van de auto open en meteen weet ik : er zit lente in de lucht. Een klein beetje nog maar, maar het is er, onmiskenbaar. De nog steeds koude lucht heeft net dát kleine vleugje vrolijkheid dat hij al een hele winter miste. De bijna zwarte aardkluiten geuren zurig-zoet, zoals ze dat alleen doen als ze zich klaarmaken voor het nieuwe werkseizoen.

Door de dampwolkjes van mijn eigen adem heen kan ik een wonderlijk huppelend bolletje kleurige veertjes waarnemen. Het zwarte mezenkopje schroeft zich soepel in de onmogelijkste bochten, op zoek naar het eerste onvoorzichtige insect. In een naburige struik zit een soortgenootje een eerste onwennig refreintje te componeren, maar hij wordt daarbij voortdurend van de wijs gebracht door een eigenzinnige zanglijster, die elke keer weer korrekties aan het deuntje aanbrengt.

Een voorzichtig lauw zonnestraaltje tast langs de prille knoppen van een houtwalletje en blijft even verwonderd haperen aan de reeds losgebarsten vlierknoppen. Het vroege zondaguur zorgt ervoor dat alles nog betrekkelijk rustig is. Geen menselijk geraas verstoort de buurtpraatjes van enkele eksterparen die in de canadapopulieren druk in gesprek zijn. Af en toe mengt zich een bemoeizieke kraai in de discussie, maar ze wordt hardnekkig genegeerd.

Terwijl ik wat onwennig in deze wolk van geluiden rondloop, bespeur ik uit mijn ooghoek een prachtige haas die ook aan zijn ochtendwandeling is begonnen en behoedzaam mijn richting neemt. Ik hou me onbeweeglijk en durf nog nauwelijks te ademen. Tot het uiterste gespannen wacht ik af. De haas -niet van de kleinsten in zijn soort – nadert tot op minder dan tien meter en richt zich dan op. Een eeuwigheid lang blijven we zo oog in oog staan en trachten elkaars bedoelingen te peilen. De betovering wordt bruusk verbroken door een auto, die luidruchtig door de bocht van de straat komt en de haas op de vlucht jaagt.

Ik zet mijn speurtocht verder en ontdek ettelijke hoeveelheden bloeiende plantjes. De vogelmuur met zijn zilveren streep haartjes langs de stengel had ik wel verwacht, maar paarse dovenetel en klein kruiskruid bezorgen me een aangename verrassing.

Plots wordt de rust verstoord door een zestigtal opgewonden standjes in spikkelpak, die onder luid gekwebbel formatievluchten beginnen uit te voeren boven een akker. Gefascineerd volg ik het behendige kunst- en vliegwerk van deze gevleugelde schietspoeltjes, tot één van hen mijn aandacht trekt. Wat maakt hem zo anders dan de andere spreeuwen ? Het wil me eerst niet invallen, maar als de stuntvliegers zich even later een ogenblik aan de grond zetten, wordt me de reden van de storing duidelijk : er zit warempel een kramsvogel tussen het spreeuweneskader. Hij wordt overigens volledig geaccepteerd door zijn teamgenoten, past zich trouwens goed aan als de groep weer op de wieken gaat om andermaal een staaltje van verfijnde luchtacrobatie ten beste te geven.

En terwijl ik hen geamuseerd gadesla, weet ik : ook zij hebben de lentekriebels te pakken.
 

Laat een reactie achter