I Muvrini et les 500 choristes…
Ik heb nooit beweerd dat dit draadje enkel voor boekbesprekingen gereserveerd was. Ik ga hier eens een paar cd’s tussen zetten ook. Te beginnen met de laatste nieuwe die ik heb binnen gekregen.
De Corsicaanse groep I Muvrini kan al een paar jaar rekenen op mijn speciale belangstelling. Midden november kwam hun nieuwste album uit: I Muvrini et les 500 choristes. Het zal zonder enige twijfel een beestenjob geweest zijn om met zoveel mensen aan deze liedjes te werken. Maar voor wie ook reeds vertrouwd is met deze groep zal het geen verwondering doen rijzen dat ik er met een beetje een bang hart op zat te wachten…
Er staan 14 nummers op, sommigen zijn remakes van eigen werk, er zijn een paar covers van andere artiesten en dan het nieuwe materiaal. Hierna nummer per nummer een korte (eerste) impressie:
1. A voce rivolta: ik begrijp IM heel goed als ze hun oldtimers af en toe eens in een nieuw kleedje willen steken. Het is niet leuk meer als je na jaren steeds weer hetzelfde lied op dezelfde manier moet brengen. Deze oproep om de stem te verheffen en klank te geven aan het voortbestaan van de Corsicaanse eigenheid heeft op mij echter een beetje het effect van een evacuatiesirene. Tina Arena kan best een lieve meid zijn, maar ze maakt dezelfde denkfout als vele vrouwelijke performers tegenwoordig: “hoe meer lawaai ik maak, hoe dikker de opbrengst”. Op een gegeven moment kan je het geen zingen meer noemen wat deze dames doen. Céline Dijon zette de alarmtrend een aantal jaren geleden in en sindsdien moeten gevoel en interpretatie het maar al te vaak afleggen tegen geluidssterkte. Een remake om snel te vergeten.
2. Streets of Philadelphia: dankzij de clip op de site ( http://www.muvrini.com/ )kenden de liefhebbers deze versie al even. En al is naar mijn gevoel the Boss niet te evenaren, deze cover mag best gehoord worden. De intimistische sfeer is goed behouden en de beide talen “mengen” goed.
3. Quand’hè: een typisch IM-nummer wat het thema betreft, het wat nerveuze ritme klopt met de onrust en het ongeduld in de tekst. Nog even wennen om er “in” te komen.
4. Ti mandu: vooral de instrumentale herhaling (let op de viool) van het refrein kwam me van bij de eerste noten heel bekend voor. Maar het heeft bloed, zweet en tranen gekost om te weten waar het me aan deed denken: “Dance me to the end of love” van Leonard Cohen. Verder zit het liedje wel een beetje in de stijl van “Quandu senterà” uit het vorige album Alma.
5. Amsterdam: hier had ik dus grote schrik voor. Niemand raakt ongestraft aan het monstre sacré dat Brel toch is. Maar wat al bij de eerste lijnen opvalt: de interpretatie van JFB is enorm gegroeid tegenover de versie die op “A strada” staat. Hier doet hij het lied alle eer aan en als dat koor er niet bij was, zou deze cover een ereplaats krijgen naast de versie van David Bowie. Je voelt dat JFB op dreef is en helemaal de sfeer van het lied beet heeft. De wisselingen tussen Frans en Corsu verlopen heel soepel en bijna ongemerkt. Maar met een gevolg van 500 stemmen dient rekening gehouden te worden en vooral in de 3de strofe moet hij merkbaar gas terugnemen. Met als resultaat dat je naar voor schiet in je luie stoel als bij een plots remmanoeuvre met de auto. Dood- en doodjammer. Het slotakkoord is honingzoet en ik denk dat een zeeman na een nachtje Amsterdam vooral gal in de mond heeft…
6. È ghjè cusì: een heel gedragen nummer, waar de inbreng van het koor wel op zijn plaats is. Het is het soort ode die een magistrale finale kan verdragen.
7. Solamamma: Nieuw en toch heel vertrouwd: helemaal de stijl van de “donkere” IM-nummers als je de aanwezigheid van het koor even buiten beschouwing laat.
8. Sara: een prachtig lied vol melancholie, waar de doedelzak van Loïc Taillebrest een niet geringe inbreng in heeft. Het koor blijft gelukkig discreet in de achtergrond.
9. Agnus Dei: dit had voor mij niet gehoeven. De intimiteit en de kracht die uit de versie op de Alma-dvd straalt, verzuipt hier in de overdaad van het koor. De typische paghjellasound wordt volledig overstemd, al staat hij er luid genoeg op.
10. Á la terra intera: een vlot muziekje met een hoopvolle tekst, helemaal IM.
11. Veiller tard: zwaar op de hand en héél donker. Misschien moet ik er nog een paar keer naar luisteren voor het went, of misschien gewoon hopen dat er eens een andere versie van uitkomt. Deze ligt me precies niet zo goed.
12. Passerà: speur ik daar enig cynisme? Het knijper-op-de-neusstemmetje tussenin draagt er nog toe bij en dan dat gemoedelijke tempo dat in “Ti mandu” en eerder in “Quandu senterà” ook aan een wandelingetje te paard doet denken…
13. Tú quieres volver: O, O, O, wat kan ik hoog! Sarah Brightman kan er ook niet aan doen, maar er scheelt iets met dit liedje. De sfeer komt er gewoon nooit door.
14. Diu vi salvi regina: de versie die ze in Vorst in 2005 uitprobeerden. Ik vond ze toen al niet mooi, nu dus nog altijd niet.
Wat onthoud ik van deze cd: tracks 2-3-4-5-6-8-10 en 12 zijn best te genieten tot (zeer) goed. 7 en 11 moeten zeker nog een paar keer grondig beluisterd worden om te wennen. De rest is voor de autoradio tijdens het héél drukke verkeer, want die leidt zeker de aandacht niet af.
Een cd waarvoor zeker geldt: minder is méér (vooral als het om het aantal stemmen gaat). Hopelijk was dit een moedig, maar éénmalig experiment, want het is zeker niet het beste wat I Muvrini al heeft afgeleverd.
[...] januari 28, 2009 door jodoc Na meer dan zeven jaar is I Muvrini weer in Nederland. Hun laatste optreden was op 27 november 2002 in muziekcentrum Vredenburg, Utrecht. Nu zijn er concerten in Amsterdam (Paradiso 26 jan.), Groningen (Oosterpoort 27 jan.) en Tilburg (muziekcentrum 013, 29 jan.). De van oorsprong Corsicaanse groep kenmerkt zich door de opvallende, indringende zangstijl van de broers Jean François (Ghjuvan Francescu) en Alain (Alanu) Bernardini. In de loop van de afgelopen vijftien jaar hebben hun Corsicaanse wortels zich verder vertakt in de richting van de wereldmuziek. Het resultaat is een wonderlijke mengeling van traditionele Corsicaanse polyfone liederen (a capella zang) en eigen composities waarin je Keltische, Spaanse, Afrikaanse of nog andere invloeden kunt horen doorklinken. Ook in de begeleiding zie je ongewone combinaties: de kern wordt gevormd door keyboards, gitaar en slagwerk. Daaromheen zijn er door de jaren heen wisselende combinaties geweest met o.a. oude instrumenten uit de volksmuziek, zoals de cetera – een Corsicaanse citer – (bespeeld door Jean Bernard Rongiconi), de hurdy gurdy of draailier (Gilles Chabenat), doedelzak (Loic Taillebrest), accordeon (Régis Gizavo), of tegenwoordig een elektrische viool (Laurence Dupuis). Ze dragen allemaal bij aan de typische Muvrini-sound. Tenslotte zoeken de Bernardini’s dikwijls de samenwerking met andere zangers. Solisten als Josephina Fernandez, Tina Arena of Sting. Op hun laatste album treedt zelfs een 500-stemmig koor aan (I Muvrini et les 500 choristes) (hier een recensie) [...]
Hallo Doc, het concert donderdag in Tilburg bijgewoond en lichtelijk ontgoocheld naar huis gekomen. De techniek liet het (vooral in het begin) behoorlijk afweten, het publiek al evenzeer. Pas na een aantal nummers en op uitdrukkelijk aansporen vanwege Stefano en Loic kwam er ambiance in. Maar toen ging het ook ineens goed. De vertaling van Marlene Lokin was niet altijd erg secuur. Alanu was na het concert positief, maar Ghjuvan-Francescu was geirriteerd en kort aangebonden. Tijd om een rustpauze in te lassen, denk ik.