Een klein paars boeket… (bis)
Een paar maand geleden kreeg ik de raad dit verhaal in te sturen voor een verhalenwedstrijd. Ik moest dan ook wachten met het hier te zetten tot de uitslag bekend was. Intussen heb ik een uitnodiging gekregen om de winnaars te komen toejuichen. Vermits ik niet verondersteld werd voor mezelf te applaudiseren, kende ik meteen het verdict. Hieronder alsnog mijn verhaal.
Hij klemde het kleine paarse boeket met beide handen stevig vast. Hij had de bloemen vanmorgen heel zorgvuldig uitgekozen, nog vóór de zon de blauwpaarse bloemenzee van de hortensia bescheen. Hij had de stengels omwikkeld met nat papier en aluminiumfolie en ze in de vestiaire gezet, bang dat hij ze anders zou vergeten mee te nemen.
Zijn ogen keken naar buiten, naar de voorbijschuivende huizen, maar hij registreerde niets van de details. Vage kleuren en vormen schokten voorbij terwijl de bus zich een weg baande door het woelige stadsverkeer. De rit maakte hem nog altijd een beetje zenuwachtig. Eén keer was hij zo ver met zijn gedachten weg geweest dat hij een verkeerde overstap gemaakt had en in een totaal andere richting was meegereden. Pas bij de eindhalte werd het hem duidelijk dat hij zo nooit bij het ziekenhuis zou komen. Toen hij er eindelijk arriveerde was het middagbezoekuur voorbij. Hij was moedeloos in de cafetaria gaan zitten achter een kop koffie die hij vergat op te drinken. Drie kostbare uren verloren… Drie uren van de spaarzame tijd die hen nog restte samen…
Terwijl hij terugdacht aan die middag, vulden zijn ogen zich weer met tranen van zelfverwijt. De bevende vingers van zijn linkerhand zochten in zijn jaszak naar de keurig gevouwen zakdoek. Met de rechter hield hij de ruiker zorgvuldig op zijn schoot.
En hij dacht terug aan het moment waarop hij samen met haar de jonge struik in hun kleine stadstuintje had geplant. Het was een stek van het prachtexemplaar in hun vroegere tuin aan de rand van de stad. Het was het enige wat ze uit dat huis hadden meegenomen. De meubels waren te groot en nogal sleets geweest. De kinderen hadden er op aangedrongen dat ze nieuwe spulletjes zouden kopen. “Zonder teveel krullen en frullen, lekker makkelijk om te onderhouden.” Ze hadden zich laten ompraten, maar echt thuis hadden ze zich niet gevoeld tussen al die gladde onpersoonlijke dingen. De beeldjes, lijstjes, vaasjes, ze waren merendeels in de verhuisdozen blijven zitten, zorgvuldig in blaasjesfolie verpakt.
Maar de prachtige hortensia waar ze zo dol op was, die hadden ze gestekt zodat hij hun stille nieuwe tuintje kon opfleuren. Met heel veel liefde en toewijding had ze de kleine struik verzorgd om hem de eerste moeilijke tijd door te krijgen. Toen de winter eraan kwam, had hij haar geholpen het nog broze struikje warm in te pakken tegen de kou.
Aan het eind van de winter werd ze ziek. Ze moest het bed houden en de verpleegster kwam dagelijks langs om hem te helpen bij haar toilet. Hij bracht het grootste deel van de dag bij haar bed door, schudde haar kussen op, hielp haar met drinken, las de krant voor en praatte zachtjes tot ze in slaap viel. Dan sloop hij op zijn tenen de kamer uit om zo snel als hij kon een paar klusjes op te knappen of een boodschappenlijstje te schrijven om aan de buurvrouw mee te geven. Soms kwam één van de kinderen even langs maar lang bleven die niet, want de aanblik van de menselijke vergankelijkheid maakte hen bang.
De lente ging, de zomer kwam. Maar veel beterschap bracht dit niet in haar toestand. Ze klaagde nooit, maar hij kon wel zien dat ze af en toe erg veel pijn had. Haar wangen waren ingevallen en er zaten donkere kringen onder haar ogen. De trouwring, die een jaar geleden nog in het zachte vlees van haar mollige hand had gedrukt, zat nu los aan haar magere vinger. Soms ademde ze zo licht in haar slaap dat hij zich angstig over haar heen boog om er zeker van te zijn dat ze nog leefde.
Toen de zomer ten einde liep was ze erg achteruit gegaan en stond hij bijna op instorten, zodat de dokter hen overhaalde om haar naar het ziekenhuis te laten brengen. Sindsdien ging hij haar daar trouw elke middag opzoeken. En terwijl het personeel zijn uiterste best deed om haar weer sterker te maken, zorgde hij in haar naam voor de struik. Hij beeldde zich in hoe blij ze zou zijn als ze bij haar thuiskomst zou zien hoe groot hij intussen geworden was.
Toen ze weer wat beter werd maakte hij plannen voor haar terugkeer. Maar op een middag, aan het einde van het bezoekuur, hield de hoofdzuster hem staan in de gang en vroeg of hij even bij de dokter langs kon gaan. Met een angstig voorgevoel zocht hij de spreekkamer op. Hij kreeg een stoel aangeboden en wimpelde nerveus het aanbod van een kop thee af. Wat hij gevreesd had werd hem in voorzichtige woorden bevestigd: ze zou nooit helemaal beter worden en haar verzorging zou teveel van hem vergen. Er was voor haar een plaats vrij in het verzorgingstehuis niet zo heel ver van hun rijtjeswoning, zodat hij die moeilijke overstap niet meer moest maken als hij haar wilde bezoeken. Hij kon daar zelf ook elke dag warm eten, samen met haar, zodat hij niet hoefde te koken.
Het had allemaal zo heel vanzelfsprekend geklonken, maar het ging voor een groot deel aan hem voorbij. Toen hij die avond thuis kwam had hij het gevoel een verkeerde deur te zijn binnen gestapt. Er was niets vertrouwds geweest. De lucht in de kamers was benauwd geweest en hij was naar buiten gevlucht, de tuin in. Daar had hij stilletjes geweend, in haar stoel bij de hortensia. Hij moest zichzelf in slaap gehuild hebben, want toen hij de ogen opende was het donker en waren zijn spieren stram van de kilte. De volgende dag was hij snipverkouden geweest en durfde hij haar voor het eerst in al die jaren geen kus geven, bang als hij was dat hij haar zou aansteken.
Twee weken geleden had hun jongste dochter hem op een ochtend erg vroeg opgehaald en ze waren zwijgend naar de kliniek gereden. Het tehuis had haar die nacht verwittigd dat de toestand van haar moeder zienderogen achteruit ging en dat ze via spoedopname weer was binnengebracht op intensieve.
De bus stopte met een schok voor de deur van het ziekenhuis. Hij schrok op uit zijn gemijmer en haastte zich naar de draaideur van de grote inkomhal. Het boeket hield hij vast alsof het zijn laatste strohalm was. Bij de liften stond veel volk en het duurde een hele poos eer hij de lange gang van haar afdeling op liep. Eindelijk bereikte hij de deur die hij voorzichtig op een kier openduwde. Ze lag met gesloten ogen terwijl de zon speelde met de glanzende paarsblauwe steen van de ring die hij haar gegeven had voor hun vijftigste huwelijksverjaardag.
Haar bleke huid was strak over haar jukbeenderen gespannen en haar dun geworden haar lag in sliertjes op het witte kussen. Hij schuifelde geluidloos naar haar bed toe en boog zich over haar heen om een kus op haar voorhoofd te drukken. Het boeket hield hij verrassingsgewijs achter zijn rug. Ze moest wel heel diep slapen, want ze reageerde niet op zijn aanraking. Zelfs haar huid trilde niet zoals ze dat altijd deed als zijn lippen haar aanraakten.
Hij rechtte zijn rug en keek haar aan. Haar gezichtje leek kleiner dan ooit en er zweefde een serene glimlach om haar mond. Toen hij haar hand aanraakte voelde die koud aan. Hij plooide haar vingers rond de bloemstengels en legde het boeket in haar schoot. De steen aan haar levenloze vinger had precies dezelfde kleur als de bloemblaadjes…
Dit is heel mooi geschreven, ik heb er kippenvel van…
Ik had best willen klappen hoor voor dit verhaal, zelfs met een groene snuit.
Het is een mooi gevoelig verhaal. Verstaanbaar en goed geschreven. Doe er gerust meer. Ik kom zeker lezen. Groetjes.
Fijn verhaal. Meer van dat gewenst.
Knap zeg Dilleke! Ontroerend mooi….
Ik moest verder heel wat bijlezen. Het was hier voordien een hele tijd vrij stil en nu loopt het als een sneltrein – heb je trouwens nog haar op je hoofd?
Hoeveel keer heb je het zo na elkaar gekleurd? Bij mij zou er dan geen spriet meer opstaan vrees ik.
Ik kleur het al jaren zelf en zoals je schrijft – je kan tijdens het wachten rustig wat blogjes lezen of iets schrijven en ‘t scheelt een pak in de portemonnee.
Dikke knuffel!
Sjiek.