Affodil leest Cees Nooteboom (999) (3)
Birma
Het probleem met de boeken van Nooteboom is dat je ze langzaam wil proeven. Je wil zeker niets van de subtiliteiten missen, elke smaaknuance wil je oppikken. Dit soort boeken vergelijk ik graag met een doos heerlijke chocolaatjes. Eens de verpakking verbroken gaat de hele doos er gegarandeerd aan, maar elk stukje laat je wel zuinigjes smelten op je tong. Op chocolade wordt NIET gekauwd. Niet door een doorwinterde chocoholic…
Maar aan de andere kant “trekt” het boek aan je en wil je -soms op de meest onverstandige momenten- verder lezen. Een nachtelijke leessessie is geen ramp als je met vakantie bent, maar als je om 6u ’s morgens verondersteld wordt met een enigszins helder hoofd de wereld in te stappen kan het onhandig uitpakken.
Ook lunchpauzes zijn per definitie te kort. Lezen tijdens het eten is niet gezond, maar hoe zit het als je eet tijdens het lezen?
Deze drang naar “het boek” brengt op een rare manier wel de nodige beweging in mijn beroepshalve vaak zittend bestaan. Waar heb ik laatst mijn boek neergelegd? En waar ben ik intussen met die leesbril gebleven? De dynamiek van de lezer…
Intussen is de reiziger Nooteboom naar Birma gegaan, heeft daar het maximaal toegestane aantal dagen (7) gereserveerd en is door hemels glimlachende, beeldschone dames afgepoeierd telkens hij een vlucht wou boeken. “Nee” is “nee”, zelfs als het je op een lieve manier wordt ingepeperd. En dat dit oponthoud ernstige schade toebrengt aan je reisplannen en je de tijd ziet wegglippen, leert je vooral dat oosterse tijd een andere dimensie heeft dan hier in het westen.
Niet dat de reiziger, die dit keer in het gezelschap van 2 bevriende gezellen op pad is, het als verloren tijd aanvoelt. Er is altijd iets te zien, iets te horen, voelen, ruiken, proeven voor wie voldoende nieuwsgierigheid in zijn bagage meedraagt. Maar 7 dagen is weinig om een westerling te introduceren in de onthechting van het “nu”.
Een bepaalde passage sterkt me trouwens in mijn overtuiging dat Nederlanders evolutiegewijs geboren worden met een fietszadel gebruiksklaar aan hun staartbeentje. Helemaal aan het andere eind van de wereld, in een onooglijk gat, huurt de auteur een fiets om de omgeving te verkennen. Hij rijdt over zandwegen naar ruïnes die vertellen over een ander “nu”. Hij rijdt naar de oever van een rivier waar hij onder een boom naar de vluchtige dagdagelijksheid van de Birmanen kijkt. Hij rijdt de zon tegemoet of laat ze net ver achter zich. Hij rijdt verloren en wint er weer een ervaring bij.
Hoezo? Niet gekauwd? Hap slik weg is dat hier.