Wat voor de rups het einde is…
… ziet de rest van de wereld als een begin. (Lao Tse)
Mie Rups ritste haar slaapzak helemaal dicht en vroeg zich af of ze de slaap wel zou kunnen vatten. Op het vreten van een kopieuze maaltijd groene blaadjes na, had ze de afgelopen dagen niet zo erg veel uitgericht. Ze was niet echt moe, eerder verschrikkelijk loom en lui. Bovendien was het buiten nog zo hinderlijk licht. Maar nog vóór ze de tijd vond om te beginnen piekeren, vielen haar ogen dicht en zat ze middenin een hoogst eigenaardige en verwarrende droom…
Een héél lange siësta later werd ze weer wakker. Om één of andere reden zag haar slaapzak er groezelig en verkleurd uit. Hij liet bruin-gelig licht door en rook wat muf. Bovendien leek hij wel gekrompen, zodat ze zich hoogst onbehaaglijk voelde en amper lucht kreeg. Haar poten deden pijn, haar rug jeukte en ze kreeg het veel te warm. Bijna in paniek zocht ze de rits en snokte die zo driftig open dat ze zich bezeerde.
“Eugghhh…Amaai, ik ben geradbraakt! Ik geraak hier amper uit die vieze overall. Alles doe zeer. Ik had precies dat laatste blaadje moeten laten hangen, want ik zat toch nogal krap in mijn slaapzakske.
Laat ies zien of we nog recht geraken. Wowwowwowooow!!! Wat is dat hier? Mijn kindersokskes gaan precies nie meer kunnen dienen. ‘k Gaan om panty’s moeten, denk ik. Da’s wel efkes wennen zenne mannen. Zo van die lange stekken… al goe dat er vanonder grijperkes op staan of ik zou hier rap naar beneeên liggen! Als die van hierneffest mij nu nog durft uitlachen, kan em ne sjot in zijn bollekraam verwachten met zo één van mijn superslanke gephotoshopte benen… Of mé alle zes!
Màààr ziet da! Nu droom ik al zo lang van een pelse frak en ik kom uit mijn bed met zo’n beestig vestje aan. Akkoord, ‘t is maar een bodywarmerke, maar ‘t is wel echt, hé. ‘k Voel me zo stilaan een heel madam.
En wat hangt er hier al heel den tijd voor mijn ogen te wiebelen? Zo twee lange haren. Die coiffeurs van tegenwoordig… ‘k Heb hier geen schaar bij, dus ‘k zal ze maar uittrekken of ik kijk straks zo scheel als een otter. Auw!!! Oeioei, die stomme sprieten zijn nogal gevoelig. Schoon afblijven. ‘k Zal ze efkes wat opzij proberen hangen, dan ben ‘k er ook vanaf. Euh? Wa’s da? Wacht, efkes wiebelen met die één spriet… Q-Music? Wa’s da veur iet? StùùùùùBrùùùùù? Djeezes. Wat een laweit! Zou da rechts ook gaan? Mmmm, file, depressie, recessie, agressie… Als dat Radio1 nie is! Aaaaahhhh! Da’s iets naar mijn hart! Klara’ke! Madam Botervlieg! Ik voel mij helemaal aangesproken! Zolang als ze de vlucht van den hommel maar nie spelen, want dan kuis ik m’n schup af, zenne!
Sé, en nu zou’k eindelijk wel eens willen weten wat dat die natte vodden zijn die ‘k hier in mijne rugzak zitten heb. Whaa!!! Da’s ne parapente, begot! Eigenlijk feitelijk nie mis mé al die kleurkes. Ochgot, daar vliegt er zo ene, sé. Maar da zal ‘t einde van de productie geweest zijn, als de verf al op was. Of ene van de witte producten…
Hééé! Zo niet blazen, zot! Waait es nie zo hard! Ik vloog hier bijna weg! Vloog…? Vlieg…? Vliegen…? Ik kan vliegen! Joepie, ik vlieg!!! Ziet ies ma, zonder handen!!! MAAR IK WEET NIE HOE DA’K MOET LANDEN!!! Da’s diep. Oooo, da’s diep. Da’s héél diep. Waar staan hier de freins, verdomme? Ah, dat ziet er ginder precies een zacht kusseke uit daar, dat groen met gele bollekes.
Oef! ‘t Zal wel nie op z’n elegantste geweest zijn, maar we zijn beneden en we leven nog. Amaai, da riekt hier goe. Dat riekt hier zoet. Niemand te zien? Dan ga ‘k ies proeven. Mmmm… lékkerrrrrr. Ik ben verdorie recht in een luilekkerland terecht gekomen. Die geel bollen waren snoepwinkels, verdorie! En ginder, die rooie en die blauwe, zouden dat ook kramen met zoetigheid zijn? Man, man, man, maakt mij nie wakker as dees nen droom is, want dan maakek u kapot!
Eh…? Wie is da? Die heeft precies dezelfde kleurkes as ‘kik. Zelfde club? Wow, dien heeft wel nie op een centje gekeken toen dat ‘em e reukske gekocht heeft, zenne. Chieken typ. En hij kijkt naar hier. Hij kómt begot naar hier! Hij…”
Mie, die zich niet langer meer Rups wilde laten noemen, kon nog net een ferm blad vastgrijpen en naar beneden trekken om de rest van het verhaal te onttrekken aan de nieuwsgierige blikken van de overburen…
Een klein paars boeket… (bis)
Een paar maand geleden kreeg ik de raad dit verhaal in te sturen voor een verhalenwedstrijd. Ik moest dan ook wachten met het hier te zetten tot de uitslag bekend was. Intussen heb ik een uitnodiging gekregen om de winnaars te komen toejuichen. Vermits ik niet verondersteld werd voor mezelf te applaudiseren, kende ik meteen het verdict. Hieronder alsnog mijn verhaal.
Hij klemde het kleine paarse boeket met beide handen stevig vast. Hij had de bloemen vanmorgen heel zorgvuldig uitgekozen, nog vóór de zon de blauwpaarse bloemenzee van de hortensia bescheen. Hij had de stengels omwikkeld met nat papier en aluminiumfolie en ze in de vestiaire gezet, bang dat hij ze anders zou vergeten mee te nemen.
Zijn ogen keken naar buiten, naar de voorbijschuivende huizen, maar hij registreerde niets van de details. Vage kleuren en vormen schokten voorbij terwijl de bus zich een weg baande door het woelige stadsverkeer. De rit maakte hem nog altijd een beetje zenuwachtig. Eén keer was hij zo ver met zijn gedachten weg geweest dat hij een verkeerde overstap gemaakt had en in een totaal andere richting was meegereden. Pas bij de eindhalte werd het hem duidelijk dat hij zo nooit bij het ziekenhuis zou komen. Toen hij er eindelijk arriveerde was het middagbezoekuur voorbij. Hij was moedeloos in de cafetaria gaan zitten achter een kop koffie die hij vergat op te drinken. Drie kostbare uren verloren… Drie uren van de spaarzame tijd die hen nog restte samen…
Terwijl hij terugdacht aan die middag, vulden zijn ogen zich weer met tranen van zelfverwijt. De bevende vingers van zijn linkerhand zochten in zijn jaszak naar de keurig gevouwen zakdoek. Met de rechter hield hij de ruiker zorgvuldig op zijn schoot.
En hij dacht terug aan het moment waarop hij samen met haar de jonge struik in hun kleine stadstuintje had geplant. Het was een stek van het prachtexemplaar in hun vroegere tuin aan de rand van de stad. Het was het enige wat ze uit dat huis hadden meegenomen. De meubels waren te groot en nogal sleets geweest. De kinderen hadden er op aangedrongen dat ze nieuwe spulletjes zouden kopen. “Zonder teveel krullen en frullen, lekker makkelijk om te onderhouden.” Ze hadden zich laten ompraten, maar echt thuis hadden ze zich niet gevoeld tussen al die gladde onpersoonlijke dingen. De beeldjes, lijstjes, vaasjes, ze waren merendeels in de verhuisdozen blijven zitten, zorgvuldig in blaasjesfolie verpakt.
Maar de prachtige hortensia waar ze zo dol op was, die hadden ze gestekt zodat hij hun stille nieuwe tuintje kon opfleuren. Met heel veel liefde en toewijding had ze de kleine struik verzorgd om hem de eerste moeilijke tijd door te krijgen. Toen de winter eraan kwam, had hij haar geholpen het nog broze struikje warm in te pakken tegen de kou.
Aan het eind van de winter werd ze ziek. Ze moest het bed houden en de verpleegster kwam dagelijks langs om hem te helpen bij haar toilet. Hij bracht het grootste deel van de dag bij haar bed door, schudde haar kussen op, hielp haar met drinken, las de krant voor en praatte zachtjes tot ze in slaap viel. Dan sloop hij op zijn tenen de kamer uit om zo snel als hij kon een paar klusjes op te knappen of een boodschappenlijstje te schrijven om aan de buurvrouw mee te geven. Soms kwam één van de kinderen even langs maar lang bleven die niet, want de aanblik van de menselijke vergankelijkheid maakte hen bang.
De lente ging, de zomer kwam. Maar veel beterschap bracht dit niet in haar toestand. Ze klaagde nooit, maar hij kon wel zien dat ze af en toe erg veel pijn had. Haar wangen waren ingevallen en er zaten donkere kringen onder haar ogen. De trouwring, die een jaar geleden nog in het zachte vlees van haar mollige hand had gedrukt, zat nu los aan haar magere vinger. Soms ademde ze zo licht in haar slaap dat hij zich angstig over haar heen boog om er zeker van te zijn dat ze nog leefde.
Toen de zomer ten einde liep was ze erg achteruit gegaan en stond hij bijna op instorten, zodat de dokter hen overhaalde om haar naar het ziekenhuis te laten brengen. Sindsdien ging hij haar daar trouw elke middag opzoeken. En terwijl het personeel zijn uiterste best deed om haar weer sterker te maken, zorgde hij in haar naam voor de struik. Hij beeldde zich in hoe blij ze zou zijn als ze bij haar thuiskomst zou zien hoe groot hij intussen geworden was.
Toen ze weer wat beter werd maakte hij plannen voor haar terugkeer. Maar op een middag, aan het einde van het bezoekuur, hield de hoofdzuster hem staan in de gang en vroeg of hij even bij de dokter langs kon gaan. Met een angstig voorgevoel zocht hij de spreekkamer op. Hij kreeg een stoel aangeboden en wimpelde nerveus het aanbod van een kop thee af. Wat hij gevreesd had werd hem in voorzichtige woorden bevestigd: ze zou nooit helemaal beter worden en haar verzorging zou teveel van hem vergen. Er was voor haar een plaats vrij in het verzorgingstehuis niet zo heel ver van hun rijtjeswoning, zodat hij die moeilijke overstap niet meer moest maken als hij haar wilde bezoeken. Hij kon daar zelf ook elke dag warm eten, samen met haar, zodat hij niet hoefde te koken.
Het had allemaal zo heel vanzelfsprekend geklonken, maar het ging voor een groot deel aan hem voorbij. Toen hij die avond thuis kwam had hij het gevoel een verkeerde deur te zijn binnen gestapt. Er was niets vertrouwds geweest. De lucht in de kamers was benauwd geweest en hij was naar buiten gevlucht, de tuin in. Daar had hij stilletjes geweend, in haar stoel bij de hortensia. Hij moest zichzelf in slaap gehuild hebben, want toen hij de ogen opende was het donker en waren zijn spieren stram van de kilte. De volgende dag was hij snipverkouden geweest en durfde hij haar voor het eerst in al die jaren geen kus geven, bang als hij was dat hij haar zou aansteken.
Twee weken geleden had hun jongste dochter hem op een ochtend erg vroeg opgehaald en ze waren zwijgend naar de kliniek gereden. Het tehuis had haar die nacht verwittigd dat de toestand van haar moeder zienderogen achteruit ging en dat ze via spoedopname weer was binnengebracht op intensieve.
De bus stopte met een schok voor de deur van het ziekenhuis. Hij schrok op uit zijn gemijmer en haastte zich naar de draaideur van de grote inkomhal. Het boeket hield hij vast alsof het zijn laatste strohalm was. Bij de liften stond veel volk en het duurde een hele poos eer hij de lange gang van haar afdeling op liep. Eindelijk bereikte hij de deur die hij voorzichtig op een kier openduwde. Ze lag met gesloten ogen terwijl de zon speelde met de glanzende paarsblauwe steen van de ring die hij haar gegeven had voor hun vijftigste huwelijksverjaardag.
Haar bleke huid was strak over haar jukbeenderen gespannen en haar dun geworden haar lag in sliertjes op het witte kussen. Hij schuifelde geluidloos naar haar bed toe en boog zich over haar heen om een kus op haar voorhoofd te drukken. Het boeket hield hij verrassingsgewijs achter zijn rug. Ze moest wel heel diep slapen, want ze reageerde niet op zijn aanraking. Zelfs haar huid trilde niet zoals ze dat altijd deed als zijn lippen haar aanraakten.
Hij rechtte zijn rug en keek haar aan. Haar gezichtje leek kleiner dan ooit en er zweefde een serene glimlach om haar mond. Toen hij haar hand aanraakte voelde die koud aan. Hij plooide haar vingers rond de bloemstengels en legde het boeket in haar schoot. De steen aan haar levenloze vinger had precies dezelfde kleur als de bloemblaadjes…
Een klein paars boeket…
Ik haal voor korte tijd deze tekst weg, omdat er op de schrijfcursus gesuggereerd is het in te zenden voor een schrijfwedstrijd. Daar mogen enkel ongepubliceerde werken ingediend worden en ik heb nog geen idee of een blog onder “publicatie” valt. Na 19/9 komt het hier weer terug op zijn plaats. Dat is de datum waarop de inzendingen moeten binnen zijn.
Sorry voor het wachten… (cliff hangers heb ik ook al onder de knie, zie je?)
Iets om op te schrijven…
Blijkbaar gaat een schrijver-in-spe nooit het huis uit zonder “iets om op te schrijven”. Een zakboekje met een potlood of pen, zelfs een servet kan dienst doen als de nood het hoogst is. Of als je het iets professioneler wil aanpakken: een dictafoontje. Altijd de wapens bij de hand hebben, de inspiratie kan om het onschuldigste hoekje loeren.
Nou draag ik al járen een zakboekje bij me en een pen, want ik slaag er steeds minder in om dingen te onthouden. En sinds de gsm zijn intrede deed in mijn leven, ben ik ook dag en nacht bereikbaar voor wie denkt mijn hulp nodig te hebben. Ik heb het dus al een eeuwigheid geleden opgegeven om kleine, elegante handtasjes te kopen. Ik zeul een grote rommelzak door de wereld. De enige luxe die daar tegenwoordig bij komt kijken is het feit dat ik onlangs overstapte op echt leder, nadat de jongste hond mijn oude vertrouwde “aapjestas” had gemolesteerd.
Om de haverklap duik ik mijn lederen onderwereld in om op zoek te gaan naar één of ander onvindbaar voorwerp. Maar mijn boekje met bijbehorend kort, dik balpennetje slaagt er op misterieuze wijze altijd in om bovenaan te liggen. Nogal wiedes dat de blaadjes zich in een hoog tempo vullen.
Tja, en dan heb je na een dikke week weer even rustig de tijd om te gaan zitten, je krabbels door te lezen en er iets mee te doen in Schrijfland. De oogst van vanavond:
- heldere nacht, roepende uil
- zoemende muggen, klamboe, zwoel
- haak voor vestiaire
- 3 bussen vruchtensap + 4 kippenbouten + afvalbak
- papieren autoverzekering
- windhaan op de kerktoren maakt griezelig geluid
- verslag werkgroep tegen maandag
- gastsprekers bellen
- koffie halen!!!
- …
Het was een heldere nacht. Enkel een roepende uil en een stel zoemende muggen verstoorden de stilte. Hij lag te woelen onder de klamboe en kon de slaap niet vatten omdat het zo zwoel was in de kamer. (volgens mij klopt dit niet, want als het helder is, koelt het goed af)
Hij was uren bezig geweest met het repareren van die haak in de vestiaire. Toen het eindelijk gelukt was, had hij 3 bussen vruchtensap na elkaar leeggedronken (die komt morgen het toilet niet uit) terwijl hij die vier kippenbouten aanbraadde, die hij nog in de koelkast gevonden had. Na zijn eenvoudige maaltje (eenvoudig? vier bouten? da’s bunkeren!) bracht hij de botjes naar de afvalbak. Zijn blik viel op zijn gehavende karretje en hij dacht aan de papieren voor de autoverzekering.
De uil zweeg plots. De muggen hielden op met zoemen. De windhaan op de kerktoren maakte een griezelig geluid.
Badend in het zweet werd hij wakker en vloog overeind in bed. Hij had vergeten het verslag van de werkgroep te maken tegen maandag. En hij moest de gastsprekers nog bellen. Het leek wel of hij door al die kruidenthee vergeetachtig werd. Zijn besluit stond vast: hij zou morgenvroeg eerst en vooral koffie halen…
Zeg nou zelf: wat heeft een mens nog méér nodig voor een bestseller?
Gespleten persoonlijkheid…
Het moet niet veel gekker meer worden. Een nieuw pakket oefeningen is open gegaan. Daaronder: het weblog. OK, dat heb ik al, dus even afchecken hoe goed ik het wel doe. Blijkt dus dat er een héél uitgebreid gamma mogelijkheden is dat ik nog ongerept en onaangeroerd heb laten liggen. Uit onwetendheid. Of omdat ik het niet aandurf, misschien. Of gewoon niet aan gedacht. Er zijn best ook wel geschifte ideeën bij, hoor.
Zo is er de suggestie van wat ik “de gespleten persoonlijkheid” zou noemen. Bedoeling is dat je je stukjes “laat schrijven” (je doet het natuurlijk zelf) door een personage dat één bepaald facet van je persoonlijkheid vertegenwoordigt. Je schrijft vanuit je ochtendhumeur, of je laat de eeuwige stuntel in je op de wereld los. Ik zeg maar wat. Als ik mijn blogroll even onder de loep neem, zitten er zo wel een paar tussen die die techniek toepassen. En vermits ze op mijn blogroll staan en ik er dagelijks langskom, is zoiets wel leuk. Als je dat onder de knie hebt, wel te verstaan.
Ik moet er toch nog even over nadenken, hoor. Eerst even naar mijn navel staren (als ik hem kan vinden). ‘t Is niet niks, zo’n alter ego. Wat als die een eigen leven gaat leiden? Wat als die plots míjn leven gaat overnemen? Stel dat het niet echt zo’n doetje is en vanalles gaat uitspoken. Kan ik dan dit stukje inroepen als bewijs van mijn onschuld? Kan ik de opdrachtgevers van de cursus ter verantwoording laten roepen?
Aan de andere kant is het wel handig. Als je even keihard om je heen wil trappen, laat je Alter aan het woord. Lekker woest doen en dan met een onschuldige grijns de schouders ophalen en beweren dat hij/zij niet erg in de hand te houden is. Mmm, het schept mogelijkheden, het dient gezegd…
Een lange avond, alleen voor jezelf…
De aanloop.
Besluiten dat je een schrijfcursus wil volgen is één ding. Met inspiratie aankomen zodra je de eerste uitdaging wil aangaan is een ander…
De voorbereiding.
Met een (te?) ruime keuze aan uitgeschreven workshops en geen idee waarmee eerst te beginnen, laat ik me twee dagen lang verleiden tot trivialiteiten zoals het afprinten van de opdrachten, het ordenen ervan in een klapper en het maken van tussenleggers. Omdat het net naar het einde van de zomervakantie gaat, heb ik bij het zien van al die mooie nieuwe spulletjes in de winkels ook de behoefte “iets nieuws” aan te schaffen. Ik heb besloten met de hand te schrijven en pas in een later stadium de teksten uit te typen. Het kaft heb ik al, de vulpen die ik twee jaar geleden van Venteke kreeg ligt klaar met een nieuwe vulling erin, dus moet ik enkel nog een schrijfblok. Gelijnd, viergaats. Want ik heb een bloedhekel aan het geklooi met verstevigingsringen die toch weer loslaten. Ik koop twee gele blokken. Kwestie van voldoende voorraad te hebben als ik niet meer te stuiten ben. Nu nog een onderwerp vinden…
Op dag drie van Het Grote Schrijfavontuur loop ik tijdens de werkuren van mijn éne campus naar de andere. Ik passeer de bushalte van het ziekenhuis. Er stapt een oudere man uit met een boeketje bloemen dat hij in zijn tuin geknipt heeft: blauw-paarse hortensia’s.
Ik ken hem niet. Ik ken zijn verhaal niet. Maar in de loop van de dag komt dat beeld steeds terug op mijn netvlies en stilaan begint zich iets te vormen van wat zijn verhaal zou kùnnen zijn. De schrijfintensie geeft me blijkbaar een andere manier van kijken. Net zoals een fotograaf in foto’s denkt…
Actie!
Na het avondeten kunnen de huishoudelijke klusjes niet snel genoeg afgehaspeld worden. Het papier roept, het verhaal wil verteld worden. Ik trek me terug in het bureel, knip de leeslamp aan en sluit de wereld buiten. Nog één korte onderbreking als Venteke een kop sterke koffie brengt en dan zet ik de pen op het lege blad.
Nu ik éénmaal de hoofdlijn in gedachten uitgesponnen heb (héb ik dat eigenlijk gedaan of gebeurde het zomaar?) gaat het schrijven vlot. Als er een pauze valt omdat ik een keuze moet maken, volstaat het dat beeld weer even voor ogen te halen en de gevoelens komen spontaan terug. Eigenlijk schrijft het verhaal zichzelf en ben ik enkel een stuk gereedschap, zoals het papier en de pen. Een hoogst merkwaardige gewaarwording, die je aan de pc toch nooit zo sterk ervaart…
Na een uur of twee intensief pennen (ik heb er een pijnlijke hand van gekregen) heb ik zes kantjes vol en iets wat al aardig op een kort verhaal begint te lijken. Natuurlijk moet het nog herlezen en vooral herschreven worden, maar de basis is er. De afwerking is voor een andere workshop. Eerst wat afstand nemen.
De opdracht.
Bovendien ben ik er maar weer eens in geslaagd het paard achter de kar te spannen. Want in plaats van een opdracht voor een bepaald soort tekst te kiezen, heb ik een tekst geschreven en ga ik nu op zoek in welke les ik die kan laten passen.
Uiteindelijk besluit ik opdracht 1 van “Winterverhalen” er bij te halen en nog een paar kantjes te schrijven óver het schrijven. Alleen op de bank met de hondjes (Venteke is intussen naar bed) vraag ik me wél af aan wie ik mijn werk nu moet voorlezen en of zij ook iets te vertellen hebben…
5 reacties