De Meute…
Zomer. Mooi weer. En een Stuk Natuur dat zich probeert te herstellen van de ingrepen van de mens. Dat laatste zou nog wel eens kunnen slagen ook, gesteld dat die mens er binnenkort definitief zijn tengels van af houdt.
Of ook: voor- of najaar of winter. Slecht weer (en dan heb ik het vooral over slijktoestanden bij eender welke temperatuur). En datzelfde Stuk Natuur.
En dan komt de Meute. Afhankelijk van de oproep (want er is altijd wel iemand die op een idee komt en de anderen “oproept”) is de Meute voorzien van zware botienen en een rugzak of een fiets (aldaniet met héél dunne of erg vieze bandjes) of een jachtgeweer, maar altijd is de Meute omvangrijk, met haast en het idee van “wij zijn met veel, dus het is hier allemaal van ons”.
Als Einzelganger heb je niet langer recht op de lucht die je dacht in te ademen. Of op een smal strookje waar je ook een beetje van dat Stuk Natuur kan genieten. Of gewoon op wat stilte. Want de Meute pikt alles in. En wat ze niet kan bezetten, maakt ze kapot.
De Meute houdt zich niet aan de paden maar maakt er door overbetreding nieuwe bij. Kwestie van haar stempel op het Stuk Natuur te drukken. In het geval van slijktoestanden kan de Einzelganger thuis nog restjes pad terugvinden tussen zijn tanden, in zijn haren en op zijn kleren, want net als de Meute op zijn hoogte komt moet ze zo nodig een slippertje maken zodat hij van kop tot teen vol smurrie hangt. Hoongelach is zijn deel, terwijl de Meute verder snelt naar de kroeg.
De Meute eigent zich de levens in het Stuk Natuur toe. Zonder enige hinder van respect schiet ze op alles wat beweegt en stelt zich pas achteraf vragen. Dat is dan de goeie Meute. De andere stelt zich geen vragen…
De Meute verovert alles, zelfs het diepste innerlijk van de Einzelganger. Want de stilte wordt aan flarden gereten door schelle roddelstemmen die Story- en andere Privé-berichten delen. Als de Einzelganger niet tijdig in de brandnetels of braamstruiken duikt, wordt hij door de Meute onder de voet gelopen en weggeschamperd.
De Einzelganger kan de Meute slechts op één manier proberen te verschalken: door ’s zondags om een uur of 5 op te staan en naar het Stuk Natuur te gaan, vóór de rotverwende, vernielzuchtige, pretentieuze Meute haar roes heeft uitgeslapen en in beweging komt. Slechts op die voorwaarde kan de Einzelganger met een beetje geluk door het Stuk Natuur wandelen zonder omver gegooid te worden door dikke walmen goedkoop parfum en alcoholadem. En als het even meezit: zonder “sportsnot” aan zijn kleren…
Het leuke aan zoeken…
Het leuke aan zoeken is dat je altijd wel iets in handen krijgt wat je niet kwijt was maar al lang had willen terugvinden.
Zo heb ik ooit eens op de Boekenbeurs een heus boek over het begrip “midlife” gekocht. Een joekel als je de dikte (3cm) vergelijkt met de hoogte en breedte (6,5 x 5cm).
Een bron van inspiratie als je eens een mindere dag hebt en behoefte aan een oppepper. Hét wondermiddel om de pijnlijke rug of de stramme benen te vergeten (voor zover je geheugen het nog doet). En vooral: een schat aan humor, bedacht door beroemde en minder beroemde mensen in wat zij het liefst als ”de fleur van hun leven” omschreven.
Omdat de komkommers we onderhand de strot uitkomen, mijn rug niet doet wat ik van hem verwacht en ik de laatste tijd maar niet op topsnelheid kom: een bloemlezing uit “Ja, dit is mid-life” van Terra (ISBN 90 5897 197 x)
Tegen de tijd dat een mens oud genoeg is om op zijn tellen te passen, kan hij niet meer rekenen.
M.S.
Middelbare leeftijd: als je oude klasgenoten zó grijs, rimpelig en kaal geworden zijn, dat ze je niet meer herkennen.
Bennet Cerf (1898-1971)
‘En wil je een taart met kaarsjes?’
‘Nee, het is een feest, geen fakkeloptocht’
Cindy Patterson
Eerst vergeet je namen, dan gezichten. Dan vergeet je de rits van je broek omhoog te doen en daarna vergeet je hem naar beneden te doen.
Leo Rosenberg
Ik kan niet zeggen dat haar gezicht haar leeftijd verried, maar vorige week werd ze op weg naar huis achtervolgd door een groepje archeologen.
Mike Knowles
Jeugd: de fase in je leven waarin je gekke gezichten trekt voor de spiegel.
Midlife: de fase in je leven waarin de spiegel wraak neemt.
Mickey Mansfield
Je beseft dat je niet meer bij de jongsten bent als de hond je vóór laat gaan als de stok teruggehaald moet worden.
Bill Stott
Als je tegen de vijftig loopt, is dat al voldoende lichaamsbeweging.
Onbekend
Je moet zorgen dat je aan je conditie werkt. Mijn oma wandelde 8km toen ze zestig was. Nu is ze zevenennegentig en niemand heeft enig idee waar ze is.
Ellen Degeneris
En nu moet ik dringend mijn sleutel gaan zoeken zodat ik mezelf kan uitlaten…
Kunst…
Op Ezzulia loopt sinds vorige week een pittige discussie rond een column van auteur Tomas Ross. Daarin stelde hij zich vragen rond o.a. het voortbestaan (in de huidige vorm) van de Gouden Strop, de Maand van het Spannende Boek en het GNM (Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs).
Tal van auteurs en lezers gaven al repliek op repliek op het Ezzuliaforum en allengs kwam de vraag wat “de literatuur” eigenlijk het recht geeft om op spannende boeken neer te kijken? Is een misdaadroman ook literatuur en zo ja, waarom er dan nog eens het etiket “literaire thriller” opplakken? Als literatuur kunst is en de misdaadroman geen literatuur, is de laatste dan geen kunst?
En ultiem eigenlijk ook: “wat is in feite kunst?”. En “wie bepaalt wat kunst is en wie niet?” Wie kan daarover oordelen? Hoe stel je een deskundige jury samen?
Wie of wat bepaalt wat kunst is? Is dat een vraag die puur arbitrair kan beantwoord worden door een jury? En wie zit er dan in zo’n jury? Toch zeker geen kunstenaars? Uitgevers? Galerijhouders? Concertpromotoren? Managers? “Het” publiek?
Toen ik een jaar of zeven was nam mijn grootvader me mee naar een tentoonstelling van schilderijen in Antwerpen. Ik herinner me nog héél precies hoe we hand in hand een relatief kleine zaal binnenkwamen. Ik zie nog zó de lichtinval door het hoge raam, de deur tegenover die waar wij door kwamen en die uitgaf in de volgende zaal. Ik ruik nog altijd de geur van de geboende houten vloer. En dan: het doek dat pal naast die deur hing.
De meeste mensen liepen er gewoon aan voorbij want het zag er -ondanks het discrete naamkaartje eronder- uit als een maagdelijk blank canvas, zonder lijst, zonder onderwerp. Iemand had het er schijnbaar gehangen om de lege haak aan de muur te camouffleren. Maar ik kon mijn ogen niet van het doek houden en naarmate we langs de andere werken liepen zag ik dingen gebeuren. Tussen twee passen met mijn korte kinderbeentjes in zag ik een regenboog verschijnen, héél subtiel. In bijna onzichtbare kleuren liep hij diagonaal van de rechter boven- naar de linker onderhoek. Eén stap te ver en hij was weg.
Ik heb de hand van mijn grootvader losgelaten en heb een hele tijd van de éne op de andere voet staan wiebelen. Regenboog aan, regenboog uit. Waarschijnlijk met grote verwonderde ogen en mijn mond halfopen hangend van kinderlijke verwondering. Mijn grootvader was intussen op een bankje gaan zitten en wachtte geduldig af tot ik er genoeg van kreeg. Of tot we naar buiten moesten omdat het museum sloot?
Nooit in de 48 daarop volgende jaren heb ik iets gezien dat zo’n indruk op mij heeft gemaakt. Ik weet niet wie het doek gemaakt heeft of waar het naartoe is. Maar elke keer als ik een regenboog zie of het woord “kunst” hoor, denk ik weer aan dat schilderij. Als iemand me zou zeggen waar het tegenwoordig hangt zou ik niet durven gaan kijken, bang om de betovering van toen te breken. Want ik ben allang geen kind van 7 meer en misschien valt het licht nu niet meer goed en is het doek intussen vuil…
Of was het misschien tóch een leeg doek om een spijker achter te verstoppen?
Geef…
…de stoefer een brood, want de klager heeft geen nood.
Samen in de file
Afgelopen weekend (en vooral zaterdag) stonden op verschillende plaatsen kilometerslange files door reeds lang op voorhand aangekondigde wegenwerken. En prompt sloeg de massahysterie toe. Automobilistenorganisaties noemden het een schande dat er 2 (twee!) rijvakken ineens werden afgesloten. Anderen vroegen zich met nauwelijks gecontroleerde woede af waarom dat nu in het weekend moest en/of waarom het niet ’s nachts kon. Unizo-en-niet-anders wil het niet in de week want dat brengt teveel economische schade mee. En in de vakantieperiode schikt het niet voor de gehaaste toeristen.
Van al die klagers zijn er minstens 85% die enkele maanden geleden nog hel en doemenis riepen omdat die bewuste stukken er zo miserabel bij lagen.
Aan de andere kant: ik heb geen flauw vermoeden welk percentage (maar het zal miniem zijn) zich bij wegenwerken houdt aan de snelheidsbeperking, dus dat 2de rijvak is geen overbodige luxe als barrière voor de mensen die naast die eindeloze rij foeteraars hun werk moeten doen in de stank van nijdig optrekkende en afremmende auto’s en gloeiend asfalt dat onder de wielen van mateloze ecolozen binnen de kortste keren weer zal weggemalen zijn.
En geen enkele automobilist die zich in eer en geweten afvraagt of het echt nodig is dat hij er op dàt moment langs moet.
Samen op de baby drink
De Zoo gaf een heuse baby drink ter ere van olifantenknuffel Kai Mook. Precies 4 weken nadat honderdduizenden met de neus tegen het computerscherm gekleefd zaten om toch zeker geen fractie te missen van de geboorte van het vierpotige kuiken (dat ons dan tóch nog verschalkte), konden de supporters een toast uitbrengen op “hun” babyslurf. Uiteraard was dit ook een marketing truc van de Zoo en vanzelfsprekend was het geen toeval dat de politiek ook achter de tap te vinden was.
Maar het was ook een leuke manier om mensen samen op de been te krijgen met een gezamenlijk gespreksonderwerp. Samen een pint pakken en over “de kleinen” lullen. En de (burger)vader die helpt bevoorraden. Waar, o waar staat er geschreven dat burgemeesters alleen maar zwaar op de hand mogen zijn? Ze moeten niet allemaal hun gemeente voor schut zetten door het oud ijzer van het leger op te kopen of wekelijks een privé-betoging van elf man en een paardenkop te organiseren (waar dan wél politiebegeleiding op kosten van de burger bij moet zijn).
Bovendien: die op de “receptie” waren de slimsten, die stonden niet in de file!
Achter de feiten aan…
Mijn werk levert me vaak heel dubbele gevoelens op.
Als preventieadviseur is het o.a. je taak te voorkomen dat mensen ziek worden of letsel oplopen door hun werk. Een heel nobel gegeven. Maar tegelijk ben je veroordeeld om altijd achter feiten aan te hollen. Want we zijn nog steeds niet zover dat men overal en graag het voorzichtigheidsprincipe hanteert. Als men over een stof niets weet, gaat men er nog al te graag van uit dat “het wel zo erg niet zal zijn”. Als je niet kan aantonen dat er al minstens xxx mensen aan de gevolgen overleden zijn, kan je het wel vergeten dat er geld vrijgemaakt wordt om de gevaren op te vangen. En dan zit ik nog niet eens in een “gevaarlijke” industrietak en zijn ze bij ons nog vrij toegankelijk voor onze argumenten…
Toen ik een 5-tal jaren geleden mijn opleiding volgde begon bijna elke les met hét voorbeeld van beroepsziekte: asbestose. Met 6 lesuren per dag en 1 lesdag per week best confronterend als op dat moment je eigen vader in het ziekenhuis de strijd aan het verliezen is tegen… asbestose.
Midden in de euforie over het feit dat we met onze dienst een nieuw project rond afzuiging tot een goed einde hebben kunnen brengen, is er weer een jobstijding. Weer iemand die aangetast is door een leven lang hard werken. Schoondochter ziet haar papa “gestraft” voor de gevolgen van zijn werk. Er liggen hopelijk nog een deftig aantal mooie jaren in het verschiet, maar het K-woord is gevallen. Deze keer zijn solventen de boosdoeners. Nu ten overvloede geweten, toen… ?
Want wat mij mateloos kwaad kan maken is dat er tegenover voorzorgsmaatregelen altijd “economische afwegingen” staan. Men zet een prijs op een mensenleven en ik kan jullie verzekeren: het is geen astronomisch getal!
De hypocrisie rond asbest is daar het mooiste voorbeeld van. Reeds luttele jaren na WOI werden de vermoedens over asbest bevestigd door onderzoeksrapporten. Na WOII was de letale invloed van het goedje terdege bekend. Maar niet bij de massa. Niet bij diegenen die gevaar liepen. Want asbest was good money, toen. Pas toen men een even winstgevend alternatief gevonden had, mocht de waarheid druppelsgewijs aan het licht komen. Men kon ook niet anders, het aantal “gevallen” (nog zo’n woord!Het gaat toch over mensen) steeg explosief. Nog in de jaren ‘70 was asbestose in de sector zo goed als onbespreekbaar. In die tijd maakte ik mijn eindverhandeling over asbest en het hoofdstuk rond asbestose viel héél slecht bij mijn promotor. En dus liet ik in zijn kopie het hoofdstuk gewoon weg. Maar in de andere exemplaren bleef het overeind. Zo ben ik dan ook.
Toen we 2 jaar geleden offerten opvroegen voor de plaatsing van centrale verwarming thuis, trok de man die bij ons kwam om de situatie te bekijken grote ogen toen ik eiste dat de uitvoerders adembescherming zouden dragen. Ons huis staat namelijk stijf van de opvolger van asbest: rotswol*. Ideaal als isolatiemateriaal. Maar in de “zwarte lijst” van gevaarlijke producten staat het wel 2 lijntjes onder asbest (waarschijnlijk om alfabetische redenen) , met dezelfde norm als zijn kwalijke voorganger. Ik weet dat, collega’s weten dat. De mensen die er dagelijks aan blootgesteld worden weten weer eens van niets. Die lopen weer eens achter de feiten aan…
*Rotswol is de letterlijke vertaling van een merknaam (Rock wool). In de genoemde lijst vindt men de technische benaming terug: Man Made Fibers (MMF).
Ogen…
1 oktober vandaag. De laatste maand met zomeruur dit jaar. De aanloop naar de winterperiode. De tijd om binnen te zitten en te genieten van een boek.
Lezen. Voor sommigen een noodzaak, voor velen een genot, voor de meesten een vanzelfsprekendheid. “Van moetens”, niet “van mogens”.
Terwijl ik dit zit te overdenken draait op de achtergrond “Jalàlàbàd”, een lied dat I Muvrini in 2002 opdroeg aan de vrouwen van Afghanistan.
“je vous étreins d’ici
femmes de ce pays
et je vous vois passer
toutes de bleu drapées
il est vingt heures chez moi
vos visages vos voix
il est vingt heures chez moi
c’est le monde qui va
Il pleut
Sur Jalàlàbàd…
…la liberté est femme
à Jalàlàbàd…” (JFB)
En ik denk terug aan de vrouwen van RAWA. De Revolutionary Association of the Women of Afghanistan. Elk jaar worden aan de universiteiten eredoctoraten uitgereikt. Zo ook bij ons. Eén ervan wordt toegekend omwille van algemene verdiensten en het is de hele universiteitsgemeenschap die kandidaturen aandraagt en uiteindelijk via een stemming de laureaat aanduidt. Ik heb tot hier toe maar één keer gestemd. Toen, voor RAWA.
Het was ook de enige keer dat ik naar de uitreiking geweest ben. Ik ben niet zo’n receptiemens. Nieuwjaars- en andere recepties, personeelsfeesten, het is niet echt aan mij besteed. Niet erg slim, want als je ver wil komen in het leven moet je naar het schijnt vooral je lobbywerk verzorgen. Nou ja, voor mij is mijn werk mijn werk. Een feestje bouwen doe ik liever in de privésfeer.
Maar voor RAWA maakte ik op 16 mei 2003 een uitzondering. Niet voor de schuimwijn, de hapjes en de small talk achteraf. Maar voor de ceremonie en de toespraken voor en vooral door dat kleine, fraîle vrouwtje dat ze gestuurd hadden om de honeurs waar te nemen. Ze was zo tenger dat er geen passende toga voor haar voorhanden was en ze er een beetje overdressed bij liep. Maar Afghaanse vrouwen verstaan de kunst om zich waardig te bewegen in veel te veel textiel.
Ze had de burka thuis gelaten, maar was -op een oogspleet van 2cm breed na- in zwarte kleren en sluiers gehuld. Dit keer niet omwille van haar geloof, verduidelijkte ze bij het begin van haar speech. Dit keer was het omwille van haar veiligheid. Je weet maar nooit wie er allemaal in de zaal zitten.
Waarvoor ze zich ten overvloede en naar mijn gevoel geheel ten onrechte verontschuldigde.
Ze sprak Frans. Met een vaste heldere stem. Zonder pathos. Rustig. De rust van iemand die weet dat het allemaal slecht kan aflopen, maar toch doorgaat. Voor de zaak. De zaak van al die duizenden vrouwen en kinderen, ginds in de kale bergen van haar land in oorlog. De zaak van gebrekkige medische hulp, hoognodig beroepsonderwijs, lees- en schrijfonderricht voor wie achtergebleven zijn toen de krijgsheren zich in hun piratennesten terugtrokken om oorlogje te spelen.
Ze sprak over de klandestiniteit waartoe zij en haar medestandsters zich verplicht zagen om hun zusters te kunnen bieden wat ze broodnodig hebben. Hun geweldloze verzet tegen de onderdrukkers uit eigen en vreemd volk. Hun strijd voor vrouwenrechten, hun pogingen om verpleegposten op te zetten in de vluchtelingenkampen, de kinderen en vrouwen die nodig moesten leren lezen en schrijven, taalonderricht moesten krijgen om zich staande te houden. En de vervolgingen, folteringen en moordaanslagen waar zij zich aan blootstellen.
Toen ze haar toespraak beëindigde bleef het lang stil. Bij de minutenlange staande ovatie die er op volgde, wist ze zich geen houding te geven. Ze was immers geen bijval gewend.
De stoet met laureaten en hoogwaardigheidsbekleders trok zich terug en de aula stroomde leeg. Nog erg onder de indruk van deze kleine, sterke vrouw liet ik me meedrijven met de mensenstroom.
Toen ik het togalokaal passeerde, kwam ze juist naar buiten, nog steeds gesluierd op een smalle kijkspleet na. Heel even haakten onze blikken zich aan elkaar vast. En ik begreep de angst van die krijgsheren voor de kracht in deze ogen…
http://www.rawa.org/index.php
Olympische gedachte…
Een paar maand geleden ontdekte ik via Zabrila de zieleroerselen van ene [Menck]. Een getalenteerd schrijver en dat was niet enkel mijn oordeel. Maar net nu ik mij op zijn blog helemaal thuis begon te voelen is ook hij ten prooi gevallen aan pesterijen en jaloezie. Sinds gisteren loopt de link op mijn blog dood. Net als vele goeie blogschrijvers vóór hem en –naar ik vrees- nog meer na hem, heeft hij geoordeeld dat het sop de kool niet waard is. Een betreurde, maar gerespecteerde beslissing.
Bloggen is blijkbaar des mensen. Je kan het natuurlijk niet zo extreem stellen, want niet iedereen voelt zich geroepen om zich via zijn/haar schrijfsels te grabbel te gooien op een medium dat bijna onbeperkte toegang geeft. Vandaar dat je ook niet kan stellen dat blogland een doorsnee is van de samenleving. Maar een aantal elementen komen toch steeds heel herkenbaar terug. Eén ervan is nijd.
Misschien moeten de blogsiteverantwoordelijken (of hoe heet dat?) zich eens bezinnen over de opportuniteit van rankings en populariteitslijsten. Is het nu echt nodig om altijd overal een wedstrijd van te maken? Kunnen de mensen nu echt niet zonder zich als “beter dan “ te profileren? En als er dan toch een olympische sport van gemaakt moet worden: is het dan zo moeilijk om deelnemen leuk te vinden, zelfs als men niet wint?
Toen ik omkeek was er niemand…
Vier jaar is het nu geleden dat mijn vader overleed. Of is het langer? Waar en wanneer heb ik hem werkelijk verloren?
Ik kan me niet herinneren dat ik mijn vader niét miste. Vroeger, héél vroeger, in mijn kindertijd was hij de altijd afwezige, hardwerkende man. Steeds onderweg voor het werk. De uren dat ik hem thuis zag (meestal in het weekend, want in de week was hij vroeg de baan op en laat thuis), zat hij gebogen over plans en berekeningen en was hij nog even onbereikbaar.
De waarden die een kind van een ouder moet meekrijgen kwamen meestal via mijn moeder, die ze (bijgekleurd of niet) vertaalde in “papa wil dat zó” of “als papa dat hoort”.
Uit mijn hele jeugd herinner ik me welgeteld 2 héél bijzondere (want zowat de enige) momenten, die met mijn vader verband houden.
Een winteravond bij de kachel. Begin december, want ik zit op papa’s knie naast de oude radio/pick-up (een mahoniehouten kast met beige stof vooraan en een klein labeltje van ACEC) en we zingen mee met de sinterklaasliedjes. Ik zie het platenhoesje nog vóór mij: rood met een soort potloodtekeningen die dan wit ‘ingekleurd’ zijn en ergens zit er een veeg geel in, waarschijnlijk de staf van sinterklaas. Een kinderkoortje met een orgel in de achtergrond. “Sinterklaas, als je komt in ’t land”, “Hoort wie klopt daar kinderen?”, “Sinterklaas is jarig”,… Sint was altijd heel genereus. Hij bracht bergen speelgoed, maar nooit de tijd die ik met papa wou doorbrengen…
Een zondagmorgen in de zon. Ik ben inmiddels een tiener met de daarbij horende grote levensproblemen. Ik heb een jurk aan in rood en wit, die mijn moeder zelf gemaakt heeft. We zitten in de zon op een terras en praten. Over al die knopen waar ik mee zit. Vooral in verband met mijn moeder met wie ik een overwegend haat- en slechts heel af en toe liefdeverhouding heb. Zij kan het ook niet alleen aan en dat voel ik vooral aan mijn gezicht en hoofd. Als haar stoppen doorslaan beginnen haar handjes te wapperen. Mijn “tieneronzin” kan ze er niet nog bij hebben, dus dat zoek ik dan maar zelf uit. De zalvende stem van mijn vader, die het allemaal wel begrijpt en mij verzekert dat het wel zal overwaaien…
Later, toen ik trouwde en we 2 zoontjes hadden, stopte hij vroeger met werken. Opeens was zijn job niet meer zo belangrijk. Hij vulde zijn dagen met fitness, joggen, tafeltennis, zwemmen en jaloers zijn op de man, mijn man, die samen met mij besloten had er altijd eerst te zijn voor onze kids en het dan maar met wat minder te doen. De man, mijn man, die zijn vrije uren vulde met stoeien met zijn zoons, chauffeur speelde naar voetbal- en zwemclubs en wedstrijden. De man, mijn man, aan wie hij en mijn moeder toch nog het liefst verweten dat hij lui was omdat hij niet overwerkte. De man, mijn man, die een echte vader is zonder dat hij ooit een voorbeeld had, want zijn vader verongelukte toen mijn man amper 3 maanden oud was.
Nu vier jaar geleden stond ik aan het sterfbed van een inmiddels wildvreemde man. Het enige bewijs dat hij mij eindelijk voor vol aanzag kwam, toen hij zijn masker afgooide en zich zonder schroom ontpopte tot een rabiaat racist. Zelfs in ons huis en in bijzijn van onze kinderen kon hij het niet laten zijn extreme taaltje –weliswaar verpakt in domme moppen- te lozen. Tot ik hem op de man af zei dat ik dat onder ons dak niet duldde en dat ik niet wilde dat hij de gedachten van onze zoons vergiftigde.
De manier waarop hij met zijn ziekte (hij had mesothelioom) omging oogstte bijna overal bewondering. Mijn man en ik keken dwars door die mist. We probeerden er te zijn voor allebei mijn ouders, maar de enige hulp die hij aanvaardde was puur logistieke steun.
Zijn laatste adem heeft hij weloverwogen gespaard om wat mij nog restte aan gevoelens voor hem te breken. Om mij te breken. Zich te revancheren voor ik weet niet wat ik hem misdaan heb.
Is hij toen en daar gestorven? Of toen hij zich eindelijk toonde zoals hij écht was: een man zonder respect voor de ‘andere’ medemens? Verloor ik hem al eerder? Of kan je niet verliezen wat je enkel gedroomd hebt?
Om de plotse woede en gekwetstheid van die laatste ogenblikken te boven te komen heb ik ook het plezier van die paar goede herinneringen moeten opgeven. Ik kan ze nog beschrijven, ik weet nog wat ze ooit voor mij betekend hebben. Maar nu kan ik me enkel nog bedrogen voelen. Hoe blind kan je als kind zijn? Hoe goedgelovig? Hoe kwetsbaar ben je en hoe makkelijk is het om daar als volwassene misbruik van te maken.
Ik had gehoopt dat, als ik met die vreemde stervende man afrekende, ik de vader uit mijn herinneringen zou terugvinden. Maar toen ik omkeek was er niemand …
Meditatie…
Als ik eens heerlijk wil ontspannen, doe ik volgende visuele/auditieve meditatie. Kan in elke confortabele houding, zelfs in bed (wat ik vaak doe). In gedachten bestrijk je de vier windstreken: noord vóor je, oost rechts, enz … Eigenlijk is het een aaneenschakeling van reisherinneringen en ik moest weer aan deze tekst denken toen ik deze namiddag aan het strand naar de golven stond te luisteren.
Adem een paar keer heel diep en langzaam in en uit en ga dan over op een natuurlijk ritme.
In het noorden zie je een bos. Ga er naartoe en ga naar het hart van het frisse bos. Je komt aan een rotswand die begroeid is met heerlijk geurige mossen. Heel de wand is bedekt met dikke ronde zacht moskussens, waar helder bronwater uitdruipt. Luister naar het vallen van de druppels in het nieuwgeboren beekje aan de voet van de rots. Het geluid is zo kristalhelder als klokjes en op de mossen zie je druppels die schitteren als diamantjes. Voel de koelte van het vocht op je huid. Blijf daar tot je je verfrist voelt en volg dan het beekje naar het oosten.
Het beekje is een heus bergstroompje geworden, met klaterende watervalletjes en regenbogen die oplichten in de nevel. Het geluid van het vallende water heeft nu iets van de kracht van een stevige bries gekregen, maar het klinkt allemaal heel geruststellend. Er staan prachtige bloemen rond de waterval en je hebt een wijds uitzicht over een hemels mooie natuur. Beneden aan de voet van de waterval kan je heerlijk zwemmen in het heldere water en aan de oever komen dieren drinken. Ze zijn perfect rustig in jouw nabijheid. Blijf daar nog even in het water ronddrijven, tot je je volledig verkwikt voelt en volg dan de rivier naar het zuiden.
Je staat nu bij een machtige brede stroom. Je kan amper de overkant zien. Het geluid van het water is nu diep en geeft een gevoel van een enorme oerkracht. Niets kan deze stroom stuiten in zijn weg. Hij kan oevers verleggen, schepen dragen, stenen meevoeren, … Zet je neer aan zijn oever en sluit je ogen. Laat je geest vullen met het diepe geluid en voel de kracht ook in jou stromen. Blijf hier nog wat toeven in de koelte. Stap dan in het bootje dat voor je klaarligt en laat je wiegend meevoeren tot aan de monding in het westen.
Je staat nu op een immens strand, met je voeten in de zee. Je ziet de golven af- en aanrollen, het geluid van de branding overstemt al het andere. Het ritme is in harmonie met het ritme van je adem en hart. Je voelt een ongelooflijke rust in je geest dalen. Zover je kan zien is er alleen zee. De zon zit laag in de lucht en kleurt al wat rood. Ze trekt het water van de zee naar zich toe en er vormen zich kleine wolkjes. Die groeperen zich en vormen een grote regenwolk waaruit een zachte malse zomerregen valt. Het water dringt diep in de grond. Je kan het nu niet meer zien, maar je weet dat het er is en je weet, als je wat verder naar het noorden gaat, dat het weer tevoorschijn komt in het bos …
Is er nog ruimte voor ruim-denken?
Willen/kunnen we mekaar die ruimte nog gunnen?
Op diverse blogs en in de reacties daarop is er soms zo weinig plaats voor nuances. Ik zie vooral zwart en wit, letterlijk én figuurlijk. Terwijl er in het echte leven zo weinig zwart en wit voorkomen. Voor wie het leven niet in kleur ziet bestaan er nog zoveel grijzen die interessant zijn.
Niet àlle allochtonen zijn lui of profiteren van ons steunstelsel. Er zíjn er, net als bij “die van ons”.
Niet àlle allochtonen zijn gewelddadig. Er ís een harde kern, die -meestal- tegenover een harde kern van “die van ons” komt te staan en die zo mekaar een “reden van bestaan” geven. Let vooral op die laatste aanhalingstekens.
Niet àlle autochtonen die hun buik vol hebben van het (straat)geweld zijn onverdraagzaam. En ze staan niet alleen, want ook bij de allochtone bevolking zijn veel weldenkende mensen die niets liever zouden hebben dan dat het nu eindelijk eens ophoudt en we samen kunnen leven.
Niet àlle autochtonen die door dit nieuwe straatgeweld geschokt zijn, zijn racisten, net zomin als àlle moslims extremisten zijn.
Maar het praten in cliché’s gaat ons zo veel gemakkelijker af. Het bespaart ons de moeite om naar de nuances te kijken. Om na te denken vóór we onze mond open doen. En kranten en politieke windbuilen spelen daar maar wat te graag op in. Zij reiken het vocabularium aan voor de sloganeske praat die na elk incident wordt uitgekraamd en die ons maar naar één punt kan leiden: de totale chaos. Waarbij geen controle meer bestaat op hun crapuleuze zaakjes.
En waar draait het uiteindelijk allemaal om? Om een autochtone man die dood is omdat hij dacht nog wat goed ouderwets gezag over de jeugd te hebben en daarmee zijn medepassagiers te helpen. Om een jonge autochtone kerel die dood is, omdat hij zijn MP3-speler niet zomaar wou afstaan.
Maar ook -en dat mis ik op het ogenblik in het discours- om een jonge allochtone vrouw, die hier niet kwam profiteren maar werk had en tijdens dat werk werd neergeschoten. Samen met het kind waar ze voor zorgde. Om een andere allochtone vrouw, die het weliswaar overleefde, maar zich hier ook nooit meer veilig zal voelen. En om een allochtone man die -per ongeluk, tot het tegendeel is bewezen- in de rug geschoten is.
Allemaal zijn zij iemands kind, iemands broer, zus of ouder. Of hun familie nu hier of aan het andere eind van de wereld om hen rouwt, dat maakt niets uit.
Het OM heeft de aanklacht van die jongeren afgezwakt tot “slagen en verwondingen”. Dat die de dood voor gevolg hadden, zal zeker als verzwarende omstandigheid gelden. En ineens staat iedereen te roepen: “zie je wel…”.
O ja, we zouden “doodslag” allemaal liever omzetten in “moord” in dit geval. Alleen hebben we het geluk om in een rechtstaat te leven en moet schuld ook bewezen worden. Voor iedereen. Is Justitie -bij mogelijk gebrek aan bewijzen voor “doodslag” en evt. tegenstrijdige getuigenverklaringen over wederzijds geweld- dan niet beter een aanklacht te formuleren die ze kan bewijzen? Of hebben we liever dat het OM blufpoker speelt, voor de zwaarste straf gaat en door de eerste de beste riooladvokaat tegen de vlakte gepraat wordt? Dan staan die gasten zeker volgende week weer aan de halte van bus 23.
En tot slot nog deze bedenking: wordt het niet stilaan tijd om het prefix “allochtoon”/”autochtoon” te laten vallen? Het merendeel van de zgn. allochtonen zijn Belgen, net zoals u en ik. Met de Belgische nationaliteit hebben we hen ook de toezegging gegeven dat we mee voor hen verantwoordelijk zijn en dat we ook van hen verantwoordelijk gedrag verwachten. Daarmee zijn zij net als wij. Als zij zich niet gedragen naar onze wetten, mogen wij hen ter verantwoording roepen en sanctionneren. Zoals elke Belg. Maar als zij in nood zijn, moeten ze ook op onze hulp kunnen rekenen. Alhoewel… Voor “die van ons” staan we ook niet zo gauw meer op… Ongelofelijk hoeveel mensen er op zo’n moment niks horen of zien of geen 112 kunnen bellen. Nochtans gaan tegenwoordig meer mensen zonder regenscherm de straat op dan zonder gsm.
Wie toekijkt zonder tussen te komen of alarm te slaan, pleegt schuldig verzuim. Dat is strafbaar. Zullen we ons allemaal gaan aangeven? Of de gevangenissen nu te vol of veel te vol zitten…