… en bij valavond thuis…




Grappig hoe enkel nog een paar constructies van de mens op zo’n moment kleur hebben. De natuur zelf vond zwart/wit mooier…
Winter in Antwerpen…
Vanop de 8ste verdieping van onze campus: het “groen” van Antwerpen heeft een winters kleurtje gekregen.

Inkijk in het Middelheimpark:


Kunst op de campus:


Maar Moeder Natuur kan er ook wat van:

Brief aan een vriend / Hendrik Marsman
Tracht, na uw vijftigste jaar,
langzaam te leren, dat het goed is
als de bladeren vallen;
de sterken worden dan toch nog lang niet gerooid;
zeg tot uzelf: ‘ik wil pas vallen
onder den winterstorm’,-
mij kan soms nu het verlangen al overvallen
naar onze latere jaren,
als ik niet meer gekooid
in dit zwerfziek verlangen
wonen zal in het huis aan de brede rivier.
hoe goed zal het zijn
de dagen te laten verstrijken
met roeien en jagen;
om verweerd en rijzig het land te doorlopen
en te ervaren dat het verhaal van ons leven
den slag van het water gaat krijgen
dat wij rijpen bij wind en weer.
dan slaat ook de gloed niet zo licht meer
met snelle en vluchtige slagen naar buiten
in gelach en geween;
maar er zal een stil vuur in ons zijn,
verborgen in merg en been,
zwervend door het oneindige land
zullen wij sterker en rustiger zijn,
opgenomen in het stromend verband
der seizoenen, dieper verwant
met de ruimte en het wisselend weer,
en dan?
dan zitten wij ’s nachts bij het vuur
en ik lees u voor uit een boek,
dat ik dan heb geschreven,
een boek als “De Waterman”.
of lacht ge, dat dat niet kan?
waarom niet, ik ben immers nog jong.
kent gij de verborgen wegen?
het roer kan nog zesmaal om!
laat uw humor, uw gloed, uw snelle boosaardige tong
u vooral niet begeven
en bezoek mij, eenmaal,
in het huis van mijn ouderdom.
Uit:
Verzamelde gedichten / Hendrik Marsman,
uitgegeven bij Querido
ISBN 90 214 1094X
Kerkhof te Carmona / Hendrik Marsman
De doden liggen hier goed.
een jongen heeft mij er binnengeleid;
eerst rende hij naast mij en voor mij uit
als een jonge hond in de voorjaarszon,
tot ver buiten de poort,
waar de heuvelrug als een havenhoofd
plotseling afbreekt,
een brug van bazalt,
hoog boven het andalusische land
dat golft als een zee, tot den einder beplant
met pril wintergraan.-
toen zijn we naar het kerkhof gegaan
aan den rand der stad.
er heerst stilte en heldere rust,
geen treurwilg, geen droefenis;
een hof met donker kort gras,
in een hoek een palm en een bron;
en rondom
streng, blinkend wit, overstraald
door de lentezon
de hoge mansdiepe muur
met de doden erin, rij aan rij,
naast en boven elkaar.
geen kruisen, geen wasbloem,
geen handenwringend misbaar;
op een koperen plaat of in marmer gegrift
enkele woorden, en de dood door die soberheid
hersteld in zijn naakte waarde:
het einde der aarde te zijn,
het vuur aan het eind van de tijd.
hoog boven den muur, als een zwarte vlam
in de harde oneindigheid
het roerloze zwaard van den dodenboom,
een cypres die de ruimte splijt.
Uit:
Verzamelde gedichten / Hendrik Marsman,
uitgegeven bij Querido
ISBN 90 214 1094X
Waddenlicht, waddendonker…
Er is daglicht, kunstlicht, kaarslicht, zonlicht, maanlicht en er is … waddenlicht. Natuurlijk geeft het wad zélf geen licht. Maar soms doet het zo’n kunstzinnige dingen met wat de zon erover uitstrooit, dat het wel zo lijkt.
Er zitten wel wat schilders op het eiland. En er komen er vaak met vakantie. Aquarelisten, olieverfkunstenaars, pentekenaars en wat er allemaal nog bestaat aan technieken om de natuurlijke en andere schoonheden van dit leven vast te leggen. Maar tot dusver is er bij mijn weten nog nooit iemand in geslaagd om het waddenlicht te vatten.
Alle fotografen falen in hun pogingen om het feeërieke schouwspel mee naar huis te nemen op pellicule. Altijd is het beeld te scherp, te flou, te licht, te donker, te helder, te mistig, …
Ook in woorden kan je het waddenlicht niet gevangen zetten. Je kan het proberen omschrijven. “Zilverachtig, koud, fragiel, …” Het klopt allemaal wel een beetje, maar al voeg je er nog duizend woorden aan toe, de som is steeds ontoereikend. Dus ook deze poging is tot mislukken gedoemd…
Hoewel, er is toch één manier om het mee naar huis te nemen en ervan na te genieten: als je het waddenlicht éénmaal gezien hebt, kan je het nooit meer vergeten. Je draagt het mee als een kostbaar kleinood in je herinnering, waar je ook gaat, hoelang je ook wegblijft.
Maar als er waddenlicht is, is er ook waddendonker. En ook daar bijt iedereen zijn tanden op stuk. Het is het donkerste donker dat ik ooit gezien heb. Zelfs in een godvergeten gat in Spanje of in de outback van de Franse Cévennes -waar de lichtpolutie nog niet is uitgevonden- heb ik nooit zo’n donker donker gezien. Het lijkt wel een afbeelding van het heelal vóór de oerknal, vóór het scheppingsverhaal, voordat er iets was.
Zou een zwart gat in de ruimte er zo uitzien?
Grauw…
De parallel gedraaide linten van de zonnewering knippen het winterse grauw in repen. Dankzij de weerkaatsing van de verlichting op het glas lijkt het of het buiten toch ook een beetje licht is …
Er zitten nog meer lijnen op het beeld: de langgerekte druppels regen arceren het canvas van de buitenwereld en maken het beetje kleur van het gazon en een paar resterende boombladeren wat minder uitbundig …
Het beton van de oprijlaan glanst, als in een poging om de mistroostigheid wat te verdoezelen. Donkergrijs beton, met het lichtgrijze beton van de gebouwen haaks erop. Met daarachter het witgrijs van de lucht. Mensjes, diep weggedoken in hun zwarte en grauwe kragen, haasten zich naar binnen …
Vóór mij, op het grijze bureaublad, staat een glazen schaal met azuurblauwe glazen nepkeien …